Meekrap (Rubia tinctorum), ook wel bekend als het “Zeeuwse rood”, is een eeuwenoude plant die een prominente rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Zeeland.
Het belang van Meekrap in Zeeland
Vanaf de middeleeuwen tot de negentiende eeuw was meekrap een van de meest lucratieve gewassen voor Zeeuwse boeren. De teelt concentreerde zich in gebieden zoals Tholen en Schouwen-Duiveland, waar bijna elk dorp zijn eigen meestoofhuis had. Hier werd de meekrap verwerkt tot een verfstof die vervolgens werd geëxporteerd. Het hoogtepunt van de productie lag rond 1850, toen Zeeland een prominente rol speelde in de internationale textielindustrie.
De teelt van meekrap was echter geen gemakkelijke opgave. De planten moesten twee tot drie jaar op de akker blijven voordat ze konden worden geoogst, en er was veel mest en arbeid nodig om een succesvolle oogst te garanderen. Dit maakte het een risicovolle, maar ook winstgevende investering voor boeren. Helaas zorgden de opkomst van synthetische kleurstoffen en de industriële revolutie ervoor dat de vraag naar natuurlijke pigmenten zoals meekrap sterk afnam. Tegen het einde van de negentiende eeuw stortte de meekrapteelt in, en verdween het gewas bijna volledig uit de Zeeuwse landbouw.
